Rijkdom

Sinds jaar en dag staat er in de hoek van mijn showroom een rode Volkswagen Golf. Bouwjaar 1993, zes cilinders, en ooit het trotse bezit van mijn moeder. Mijn moeder heb ik niet meer, maar haar Golf nog wel. Leesbril in de middenconsole, beertje aan de spiegel. Alsof zij zo is uitgestapt.


Onder de ruitenwisser steekt een bordje met daarop de ondubbelzinnige tekst ‘niet te koop.’ Daar is geen woord swahili aan en ik meen het ook echt. Geen geld ter wereld doet mij besluiten afscheid te nemen van de Golf. En ik rijd er amper mee. Vele bezoekers en klanten weten mijn besluit te respecteren, en hij die niet weet waarom vraagt mij naar de reden, die ik ‘m dan graag vertel. Sommigen storen zich niet aan mijn pleitnota onder de wisser en trekken alvast de deuren open, gaan er in zitten, maken vingervlekken op dak en deurstijlen of steken hun hoofd onder de motorkap. Ik wijs ze dan vriendelijk op het briefje, waarna zij zich verexcuseren en alsnog gretig mijn verhaal over de Golf tot zich nemen.


Verreweg de kleinste groep mensen gaat er van uit dat mijn briefje een soort verkoopmethode is. Een marketingstrategie. Zij vragen dan aan mij ‘wat het karretje kost’ alsof mijn briefje er nooit geweest is en mijn mening er niet toe doet. Als ik ze glimlachend teleur stel, pareren zij doorgaans met het bekende ‘alles is te koop.’ Ik krijg daar altijd een beetje jeuk van. Een hypothetisch bod van een ton – om toch die verkoop af te dwingen - doet mij namelijk ook niet besluiten om de auto toch te verkopen, al zou mijn moeder in zo’n geval bijkans van haar wolk donderen van zoveel domheid mijnerzijds. Ik wimpel zo’n snelle pijl doorgaans af met de mededeling dat hij gelijk heeft, maar dat ik het tijdstip van verkoop nog niet weet. Dan zeg je hetzelfde, immers. Als zo’n man de winkel dan verlaten heeft, kijk ik met een gelukzalig gevoel naar mijn rode Golf en realiseer me dat rijkdom geen kwestie is van een dikke bankrekening. Nee. Iets bezitten dat niet te koop is. Dat is pas rijkdom.